Het snelle antwoord: het is “die informatie”. Informatie is een de-woord, en bij de-woorden gebruik je het aanwijzend voornaamwoord “die”. Wil je meer voorbeelden en uitleg? Kijk dan ook op datofdie.nl/informatie voor een uitgebreid overzicht.
In dit artikel leggen we uit hoe je dit kunt onthouden, waarom het zo verwarrend is en hoe je in de toekomst nooit meer twijfelt over die of dat bij andere woorden.
Het Nederlandse lidwoordsysteem uitgelegd
In het Nederlands hebben zelfstandige naamwoorden een grammaticaal geslacht. Dit geslacht bepaalt welk lidwoord je gebruikt: de of het. Dit heeft vervolgens gevolgen voor welk aanwijzend voornaamwoord je kiest: die of dat.
De-woorden en het-woorden
- De-woorden (mannelijk en vrouwelijk): gebruik “die” als aanwijzend voornaamwoord in enkelvoud en meervoud.
- Het-woorden (onzijdig): gebruik “dat” als aanwijzend voornaamwoord in enkelvoud. In meervoud gebruik je altijd “die”.
Het probleem is dat er geen vaste, eenvoudige regel bestaat om te bepalen of een woord een de-woord of een het-woord is. Je moet dit vaak gewoon uit je hoofd leren, of je helpt jezelf met bepaalde ezelsbruggetjes en richtlijnen.
Wanneer gebruik je “die” en wanneer “dat”?
De basisregel is eenvoudig:
- “Die” gebruik je bij de-woorden (enkelvoud en meervoud).
- “Dat” gebruik je bij het-woorden (enkelvoud).
- In het meervoud gebruik je altijd “die”, ongeacht het geslacht van het woord.
Voorbeelden:
- De auto → die auto
- Het huis → dat huis
- De huizen → die huizen (meervoud = altijd “die”)
Informatie: de of het?
Nu we het systeem begrijpen, is de vraag: is informatie een de-woord of een het-woord?
Informatie is een de-woord. Je zegt dus: de informatie. En als gevolg daarvan gebruik je ook: die informatie.
Voorbeeldzinnen:
- “Die informatie is heel nuttig.“
- “Heb je die informatie al gelezen?“
- “De informatie die hij gaf, was incorrect.“
Het is dus nooit correct om te zeggen “dat informatie”. Dit is een veelgemaakte fout, waarschijnlijk doordat het woord eindigend op -atie sommige mensen doet twijfelen. Maar alle woorden die eindigen op -atie zijn de-woorden in het Nederlands.
Handige ezelsbruggetjes voor de of het
Omdat het onmogelijk is om alle de- en het-woorden uit je hoofd te leren, zijn er een aantal handige trucjes die je kunt gebruiken.
Trucje 1: Woorden eindigend op -atie zijn altijd de-woorden
Dit is misschien wel het nuttigste ezelsbruggetje voor dit specifieke geval. Alle zelfstandige naamwoorden die eindigen op -atie zijn de-woorden. Denk aan:
- de informatie → die informatie
- de situatie → die situatie
- de organisatie → die organisatie
- de communicatie → die communicatie
- de functie → die functie
Zie je het patroon? Woorden die eindigen op -tie of -atie zijn vrijwel altijd de-woorden. Onthou dit, en je hebt meteen een groot deel van de twijfelgevallen opgelost.
Trucje 2: Gebruik de “zijn/haar”-test
Een andere bekende methode is de vervanging met een persoonlijk voornaamwoord. Als je een woord kunt vervangen door “hem”, is het een de-woord. Als je “het” gebruikt, is het een het-woord.
- “Ik heb de informatie ontvangen.” → “Ik heb hem ontvangen.” ✓ (de-woord → “die”)
- “Ik heb het huis gezien.” → “Ik heb het gezien.” ✓ (het-woord → “dat”)
Trucje 3: Verkleinwoorden zijn altijd het-woorden
Alle verkleinwoorden (woorden die eindigen op -je) zijn altijd het-woorden. Dus: het tafelTJE, het autootJE, het huisJE. Bij twijfel over de basisvorm, kun je een verkleinwoord vormen en weten dat dit altijd “het” is.
Trucje 4: Woorden eindigend op bepaalde achtervoegsels
Er zijn meer achtervoegsels die je kunnen helpen:
- De-woorden: woorden eindigend op -ing (de vergadering), -heid (de vrijheid), -schap (de vriendschap), -nis (de kennis), -iek (de muziek), -tie / -atie (de informatie).
- Het-woorden: woorden eindigend op -isme (het toerisme), -ment (het document), -sel (het raadsel), -um (het museum).
Veelgemaakte fouten met die en dat
Naast “informatie” zijn er nog veel andere woorden waarbij mensen twijfelen. Hier zijn enkele veelgemaakte fouten die je kunt vermijden:
Fout: “Dat situatie”
Net als informatie eindigt ook situatie op -atie. Het is dus de situatie → die situatie. Nooit “dat situatie”.
Fout: “Die probleem”
Probleem is een het-woord (het probleem). Het juiste aanwijzend voornaamwoord is hier dat: “dat probleem“.
Fout: “Dat vraag”
Vraag is een de-woord (de vraag). Je zegt dus: “die vraag“, niet “dat vraag”.
Fout: “Die idee”
Idee kan zowel een de- als een het-woord zijn, afhankelijk van de context en het register. In formeel Nederlands is “het idee” gebruikelijker, dus “dat idee”. In informeel taalgebruik hoor je ook “die idee”. Let hier op de context.
Relatieve voornaamwoorden: die of dat in bijzinnen
Naast aanwijzende voornaamwoorden (zoals in “die informatie”) worden die en dat ook gebruikt als relatieve voornaamwoorden in bijzinnen. Dezelfde regel geldt:
- Bij de-woorden: “De informatie die hij gaf, was onjuist.“
- Bij het-woorden: “Het probleem dat hij beschreef, was complex.“
Dit is eveneens een bron van veel fouten. Mensen schrijven soms “de informatie dat” of “het probleem die”, maar beide zijn fout. Onthoud: het geslacht van het woord waar je naar verwijst, bepaalt welk relatief voornaamwoord je gebruikt.
Tips om je Nederlands te verbeteren
Als je merkt dat je regelmatig twijfelt over de en het, of over die en dat, zijn hier een paar praktische tips:
- Lees veel Nederlands: Door veel te lezen, ga je de juiste lidwoorden en voornaamwoorden intuïtief aanvoelen.
- Gebruik een woordenboek: Bij twijfel over een woord, zoek het op in een betrouwbaar woordenboek zoals Van Dale. Het lidwoord wordt er altijd bij vermeld.
- Oefen met online tools: Er zijn diverse websites en apps die je kunnen helpen oefenen met de/het-keuzes.
- Schrijf bewust: Als je een tekst schrijft, controleer dan elk zelfstandig naamwoord en vraag jezelf af of het een de- of het-woord is.
- Onthoud de achtervoegsels: De ezelsbruggetjes over achtervoegsels (zoals -atie, -ing, -heid) helpen je snel de juiste keuze te maken.
Andere taalkundige kwesties in het Nederlands
De die/dat-kwestie is slechts één van de vele uitdagingen van de Nederlandse taal. Als je geïnteresseerd bent in meer aspecten van taal, informatie en privacy rondom communicatie, dan zijn er ook bredere thema’s te verkennen, zoals hoe digitale tools en apps omgaan met taalgegevens. In dat kader is het interessant te weten dat ook technologische producten steeds meer aandacht besteden aan hoe ze omgaan met jouw gegevens en informatie. Lees bijvoorbeeld onze [Proton Duo Review: Beter dan Proton Unlimited?](https://www.redbus.nl/proton-duo-review/) als je meer wilt weten over privacyvriendelijke diensten die ook jouw taaldata beschermen.
Conclusie: Die informatie, nooit dat informatie
De conclusie is duidelijk: het is altijd “die informatie”, nooit “dat informatie”. Informatie is een de-woord, en bij de-woorden gebruik je “die” als aanwijzend voornaamwoord en als relatief voornaamwoord in bijzinnen.
De sleutelregel om te onthouden: alle woorden die eindigen op -atie of -tie zijn de-woorden. Dat geldt voor informatie, situatie, organisatie, communicatie, en tientallen andere woorden. Pas je de achtervoegseltrucs toe, dan hoef je in de meeste gevallen nooit meer te twijfelen.
Wil je meer voorbeelden en een compleet overzicht van welke woorden “die” of “dat” krijgen? Bekijk dan zeker datofdie.nl/informatie voor een uitgebreide woordenlijst en extra uitleg.
Met de juiste kennis en een beetje oefening schrijf en spreek je voortaan foutloos Nederlands. En dat is die moeite meer dan waard!
Wil je meer van dit soort artikelen lezen? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.


